Header
U bevindt zich hier: HomeDatabaseKinderopvang en kinderwelzijn
donderdag 23 februari 2012

Kinderopvang en kinderwelzijn

Andere zorg dan zorg door de moeder, de hoeveelheid tijd die doorgebracht wordt in kinderopvang en de leeftijd waarop de kinderopvang begint, zijn geassocieerd met een verhoogde kans op gedragsmatige en sociaal-emotionele problemen, lagere schoolprestaties en een toename van ziektes bij kinderen. Gedragsproblemen die gerelateerd zijn aan vroegere kinderopvang duren voort tijdens de middelbare schoolperiode.

  • Dagopvang in kinderopvangcentra en het gedrag van kinderen. Kinderen die dagopvangcentra bezoeken, vertonen meer gedragsproblemen. Hickman beschreef dat kinderen die overdag in een kinderopvangcentra verblijven minder sociale vaardigheden, minder zelfbeheersing en minder intermenselijke vaardigheden hebben en bovendien meer de neiging hebben om probleemgedrag te externaliseren door vechten, ruziën, boos worden, impulsief te handelen en klassikale activiteiten te verstoren in vergelijking met leeftijdsgenoten die overdag bij een van de ouders zijn.1
  • Leeftijd waarop de kinderopvang begint. Zowel de leeftijd waarop de kinderopvang begint als de hoeveelheid tijd dat een kind zorg ontvangt van anderen dan de ouders, is gerelateerd aan het niveau van probleemgedrag bij kinderen. In dit onderzoek werd beschreven dat kinderen die dagopvangcentra bezoeken meer gedragsproblemen vertonen dan hun leeftijdsgenoten. Hoe eerder kinderen in kinderopvangcentra terechtkomen en hoe meer uren per week zij er verblijven, hoe uitgesprokener deze problemen zijn. Dit geldt voor kinderen uit gezinnen van alle inkomensniveaus die bestudeerd zijn.2
  • Aantal uren die doorgebracht worden in zorg door anderen dan de ouders. Kinderen die meer tijd doorbrengen in dagopvang vertonen vaker negatief gedrag. De hoeveelheid tijd die in dagopvang doorgebracht wordt, lijkt een significante voorspeller van hogere scores op negatieve rollen en gedragingen, en lagere scores op positieve rollen en gedragingen voor kinderen die net naar de kleuterschool gaan. Zelfs als gecontroleerd wordt voor de sociaaleconomische status, stress in het gezin en het geslacht van het kind blijft deze relatie bestaan.3
  • Andere dan ouderlijke zorg voor kinderen. Dagopvang tijdens de kinderjaren is geassocieerd met de cognitieve vaardigheden van kinderen en aantal gedragsproblemen. Baydar en Brooks-Gun beschreven dat kinderen met een werkende moeder in het eerste levensjaar lagere niveaus van cognitieve scores (beoordeeld met behulp van de Peabody Picture Vocabulary Test-R) vertonen en hogere niveaus van gedragsproblemen (beoordeeld met behulp van de Behavioral Problems Index) in het derde en vierde levensjaar, vergeleken met kinderen zonder werkende moeder. 4
  • Moederbinding. Intensieve dagopvang in het eerste levensjaar is gerelateerd aan een onzekere moeder-kindbinding. De moeder-kindbinding werd door Belsky ‘onzeker’ geclassificeerd bij 43% van de kinderen die meer dan 20 uur per week zorg kregen van anderen dan hun moeder, tegenover 26% van de kinderen die minder dan 20 uur per week niet-ouderlijke zorg genoten. Bij jongens werd bovendien een dergelijk verband waargenomen aangaande de band met hun vader: als ze meer dan 35 uur per week zorg door anderen dan de moeder genieten, is de kans groter dat ze een onzekere band hebben met hun vader.5
  • Kinderopvang en ouderlijke zorg in risicogezinnen. Vergeleken met ouders in risicogezinnen, geven ouders die veel gebruik maken van dagopvang minder ouderlijke leiding en controle. Veel dagopvang-gebruik door risicogezinnen tijdens het eerste levensjaar van het kind (meer dan 20 uur per week) hangt samen met opeenvolgende gezinsproblemen, een opvoedingsstijl die het minst vaak gekenmerkt wordt door leiding en controle, en uitdagend gedrag van kinderen wanneer ouders iets dwingend opleggen.6
  • Lange termijneffecten van kinderopvang. De hoeveelheid tijd die kinderen doorbrengen in dagopvang is gerelateerd met lange termijn gedragsproblemen. Kinderen die in hun vroege jaren meer tijd in dagopvangcentra doorbrengen, lijken meer gedragsproblemen te vertonen, zelfs nog gedurende het zesde leerjaar.7
  • Cumulatief effect van dagopvang. De hoeveelheid tijd die in de vroege kinderjaren en tijdens de voorschoolse periode in dagopvang wordt doorgebracht, is verbonden met de latere schoolprestaties en het gedrag van kinderen. Kinderen die meer ervaring hebben met kinderopvang sinds hun vroege jaren krijgen van docenten en ouders lagere scores als het gaat om werkhouding, relaties met leeftijdsgenoten en emotionele gezondheid ten opzichte van leeftijdsgenoten. Ze zijn moeilijker te disciplineren. Na controle voor de sociale klasse van het gezin, de gehuwde staat van de ouders, gezinsgrootte, aantal verhuizingen, geslacht van het kind, volgorde van geboorte en naschoolse opvang op dit moment, is kinderopvang in de vroege kinderjaren de allerbeste voorspeller van negatieve scores door ouders, docenten en leeftijdsgenoten, en van lagere cijfers en scores bij gestandaardiseerde tests.8
  • Dagopvang en gezondheid van kinderen. Kinderopvang is gerelateerd aan gezondheidsproblemen bij kleuters. In Pediatrics werd in 2003 geschreven dat kinderen van 0-5 jaar die kinderopvangcentra bezoeken, in vergelijking met leeftijdsgenoten voor wie thuis gezorgd wordt, een groter risico hebben op het oplopen van besmettelijke ziekten en op grotere medische problemen zoals hepatitis, verwondingen en chronische oorinfecties. Zij hebben drie keer zo grote kans op een doktersbezoek, twee keer zo grote kans op een behandeling op de spoedeisende hulp en bijna drie keer zo grote kans dat ze medicatie kregen voorgeschreven. Dit grotere gebruik van de gezondheidszorg leidde ertoe dat in de Verenigde Staten de uitgaven voor gezondheidszorg voor kinderen in de opvang gemiddeld $343 hoger waren per kind per jaar (vergeleken met kinderen die niet in de opvang verblijven).9

Voetnoten

  1. Lisa N. Hickman, “Who Should Care for Our Children?,” Journal of Family Issues 27, No. 5 (2006): 652-684.
  2. Susanna Loeb, Margaret Bridges, Daphna Bassok, Bruce, Fuller, and Russell W. Rumberger, “How Much Is Too Much? The Influence of Preschool Centers on Children’s Social and Cognitive Development,” Economics of Education Review 26, (2007): 52-66.
  3. J. E. Bates, D. Marvinney, T. Kelly, K. A. Dodge, D.S. Bennett, and G. S. Pettit,”Child Care History and Kindergarten Adjustment,” Developmental Psychology 30, (1994): 690-700.
  4. N. Baydar and J. Brooks-Gun, “Effects of Maternal Employment and Child Care Arrangements on Preschoolers’ Cognitive and Behavioral Outcomes: Evidence from the Children of the National Longitudinal Survey of Youth,” Developmental Psychology 27, (1991): 932-945.
  5. Jay Belsky, “Infant Day Care and Socioemotional Development: The United States,” Journal of Child Psychology and Psychiatry 29, No. 4 (1988): 397-406.
  6. J. Belsky, S. Woodworth, and K. Crnic, “Trouble in the Second Year: Three Questions About Family Interaction,” Child Development 67, (1996): 556-578.
  7. Jay Belsky, Margaret Burchinal, Kathleen McCartney, and Deborah Lowe Vandell, “Are There Long-Term Effects of Early Child Care?“ Child Development. 78, No. 2. (March/April 2007): 681-701.
  8. D. L. Vandell and M. A.Corasiniti, “Variations in early child care: Do they predict subsequent social, emotional, and cognitive differences?“ Early Childhood Research Quarterly 5, (1990): 555-572.
  9. Michael Silverstein, Anne E. Sales, and Thomas D. Koepsell, “Health Care Utilization and Expenditures Associated with Child Care Attendance: A Nationally Representative Sample” Pediatrics 111, No. 4 (April 2003): e317-e375.

Brongegevens

Auteur(s):Heritage Foundatiom
Publicatiegegevens:vol. 3. no. 4.
Karakter onderzoek:Overzicht van bestaand statistisch onderzoek
Online beschikbaar:http://www.familyfacts.org/briefs/37/daycare-and-childrens-well-being
Keywords:kinderopvang, gezondheid. zorg, moeder