Header
U bevindt zich hier: HomeDatabaseWaarom vaders ertoe doen
donderdag 23 februari 2012

Waarom vaders ertoe doen

Kinderen die opgroeien met hun vaders, doen het psychologisch, qua gedrag en op school gemiddeld beter dan kinderen die zonder hun vader opgroeien. De kans dat kinderen die met hun vader opgroeien crimineel gedrag vertonen of drugs en alcohol gebruiken, is ook kleiner.

  • Het welzijn van kinderen. Kinderen die in intacte gezinnen opgroeien, hebben gemiddeld betere cognitieve prestaties en gedrag. Van kinderen die opgroeien in gezinnen met twee ouders en twee kinderen, hebben degenen die opgroeien met een gehuwde, biologische vader gemiddeld hogere cijfers bij kennistesten en deze kinderen vertonen minder gedragsproblemen vergeleken met leeftijdgenoten die opgroeien met een ongehuwde biologische vader, een stiefvader of de samenwonende partner van hun moeder. De studie controleerde voor het geslacht, de leeftijd en het ras van het kind, de leeftijd van de vader, de gezinsomvang, het aantal jaren dat het kind opgroeide met de vader, of vaders meebetaalden aan de verzorging van het kind, opleiding van de vader, aantal uren dat de moeder en de vader werken en hun inkomen, en of er sprake was van een gemengd gezin. Kinderen die opgroeien in intacte gezinnen (met gehuwde, biologische ouders) scoorden gemiddeld het hoogst bij de kennistest en hadden het laagste niveau van gedragsproblemen.1
  • Psychologisch welbevinden van adolescenten. Er is een positief verband tussen het hebben van nauwe banden tussen adolescenten en hun vaders aan de ene kant, en het psychologische welbevinden van de adolescenten aan de andere kant. Adolescenten die nauwe banden hebben met hun vader, rapporteerden gemiddeld een lager niveau van psychologische spanning (bijv. hoe vaak ze zich somber, gespannen, eenzaam, opgewonden of gelukkig voelen), in vergelijking met leeftijdgenoten die aangaven dat ze een minder nauwe band met hun vader hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor gezinsstructuur, leeftijd van de adolescent, geslacht, ras/etniciteit, gezinsinkomen en relatie met de moeder.2
  • Gedragsproblemen bij adolescenten. Adolescenten met meer betrokken vaders vertonen gemiddeld minder gedragsproblemen. Hoe groter de betrokkenheid van de vader, hoe lager het niveau van gedragsproblemen bij de adolescent, zowel in termen van agressie en antisociaal gedrag, als in termen van negatieve gevoelens zoals angst, depressie en een laag zelfbeeld. De betrokkenheid van de vaders werd gemeten door te kijken naar de frequentie waarmee vaders belangrijke beslissingen bespraken met hun puberkinderen en naar hen luisterden, of vaders wisten met wie hun puberkinderen omgingen als ze niet thuis waren, en of vaders gebeurtenissen of activiteiten misten die belangrijk waren voor hun adolescente kinderen. Ook werd gekeken naar wat adolescenten zelf aangaven over de nabijheid tot hun vaders, of hun vaders voldoende tijd met hen doorbrachten en hoe goed ze dingen met elkaar deelden en communiceerden.3
  • Jeugdcriminaliteit. Adolescenten die een positieve relatie met hun vader rapporteerden, komen gemiddeld minder tot crimineel gedrag. In vergelijking met adolescenten die aangaven een minder positieve relatie met hun vader te hebben, hadden adolescenten die aangaven wel een positieve relatie met hun vader te hebben minder kans om gearresteerd te worden, drugs te verkopen, een ander aan te vallen, een schietwapen te dragen, te behoren tot een bende, eigendommen te beschadigen of te vernielen, te stelen, weg te lopen, gestolen eigendommen aan te nemen, in bezit te houden of door te verkopen. Dit verband bleef overeind als rekening gehouden werd met de kwaliteit van de relatie die adolescenten met hun moeders hadden, ouderlijk toezicht, opvoedingsstijl van de moeder en de vader, de biologische status van de vader, de opleiding die ouders genoten hadden, het werk dat de ouders verrichtten, het aantal kinderen in het gezin, of het gezin overheidssteun ontving, de leeftijd van de adolescent, geslacht, ras/etnische afkomst en opleidingsniveau. Verdere analyse liet zien dat het beschermende effect van een positieve vader-kindrelatie sterker bleek te zijn bij adolescente jongens dan bij meisjes.4
  • Drugsgebruik door tieners. Adolescenten die aangeven een positievere verhouding met hun vader te hebben, vertonen gemiddeld minder drugsgebruik. Adolescenten die aangaven een positieve verhouding met hun vader te hebben, rookten gemiddeld minder, dronken minder alcohol en gebruikten minder marihuana vergeleken met leeftijdgenoten die aangaven een minder positieve relatie met hun vader te hebben. Dit verband bleef bestaan als gecontroleerd werd voor de kwaliteit van de relatie die de adolescenten hadden met hun moeder, ouderlijk toezicht, opvoedingsstijl van de moeder en vader, biologische status van de vader, het onderwijs dat de ouders genoten hadden, het werk dat ze verrichtten, het aantal kinderen in het gezin, of het gezin overheidssteun kreeg, de leeftijd van de adolescent, geslacht, ras/etnische afkomst en niveau van scholing. Verdere analyse
    liet zien dat het beschermende effect van een positieve vader-kindrelatie sterker bleek te zijn bij adolescente jongens dan bij meisjes.5
  • Onderwijsprestaties van jongvolwassenen. Individuen van wie de vader vanaf het begin meer betrokkenheid bij hun leven toonde, bereiken gemiddeld een hoger onderwijsniveau. Respondenten van wie de vader meer betrokkenheid bij hen toonde op zevenjarige leeftijd (dat wil zeggen: meer uitjes, meer voorlezen, meer interesse tonen in hun onderwijs), bereikten gemiddeld hogere onderwijsniveaus als jongvolwassenen dan leeftijdgenoten van wie de vader minder betrokkenheid toonde vanaf jonge leeftijd. Dit verband bleef overeind wanneer gecontroleerd werd voor de betrokkenheid van de moeder op zevenjarige leeftijd, en een hele serie andere factoren waaronder: geslacht van de respondent, geboortegewicht, sociaaleconomische status van het gezin, opleiding van de ouders, gezinsomvang, aantal keren dat het gezin verhuisd is, ouderlijke betrokkenheid op zevenjarige leeftijd, het gedrag van de respondenten zoals dat gemeten was op zevenjarige leeftijd, hun algemene vermogens gemeten op 11-jarige leeftijd en hun academische motivatie gemeten op 16-jarige leeftijd.6
  • Percentages detentie van jongvolwassenen. Opgroeien zonder vader blijkt gerelateerd te zijn met een grotere kans op gevangenschap in het latere leven. Het opgroeien zonder vader gedurende de kinderjaren (vanaf de geboorte, vanaf de peuter- tot vierjarige leeftijd, van vijf tot negen jaar, van 10 tot 14 jaar en van 15 tot 17 jaar) bleek verbonden te zijn met hogere percentages detentie later in het leven, zelfs als gecontroleerd werd voor de opleiding van de moeder, of de moeder reeds als tiener (een) kind(eren) heeft gekregen, ras, stedelijke en regionale woonomgeving, sociaaleconomische status van de wijk, gezinsinkomen, gezinsomvang en leeftijd. Personen die opgroeiden in huishoudens zonder ooit de aanwezigheid van een vader te ervaren, hadden de grootste kans op detentie.7
  • Vader-kindrelaties. Adolescenten die opgroeien in intacte gezinnen, geven gemiddeld vaker aan een betere band te hebben met hun vaders. Adolescenten die in intacte gezinnen opgroeien, gaven gemiddeld vaker aan dat ze nauwere banden hadden met hun vader in vergelijking met leeftijdgenoten die in gemengde gezinnen, gescheiden gezinnen of nooit gehuwde eenoudergezinnen opgroeiden. Daarbij is gecontroleerd voor leeftijd van de adolescent, ras, geslacht en gezinsinkomen. Dit verband gold voor jongeren tijdens hun vroege adolescentie. Van jongeren in de middelste periode van hun adolescentie gaven degenen die in intacte gezinnen opgroeien, gemiddeld vaker aan een nauwere band met hun vader te hebben dan leeftijdgenoten in nooit gehuwde of gescheiden eenoudergezinnen. Ten opzichte van leeftijdgenten in gemengde gezinnen bleek dat verschil niet aanwezig.8
  • Betrokkenheid van vaders bij hun kinderen. Onder vaders in stedelijke gebieden, bleken diegenen die regelmatig religieuze bijeenkomsten bezoeken gemiddeld meer betrokken te zijn bij hun kinderen. Onder vaders die in stedelijke gebieden wonen, waren diegenen die vaker religieuze bijeenkomsten bezochten, gemiddeld meer betrokken bij activiteiten met hun kinderen van één jaar oud, dan vaders die minder vaak zulke bijeenkomsten bezochten. Vaders die de frequentie van hun kerkbezoek verminderden gedurende het eerste levensjaar van hun kind, raakten gemiddeld genomen ook minder betrokken bij hun kinderen van één jaar oud, in vergelijking met vaders die het niveau van hun kerkbezoek constant hielden.9
  • Welzijn van vaders. Achtergestelde vaders die de betrokkenheid bij hun kinderen vergroten, gaven een toegenomen welzijn aan. Uit een cohort van sociaaleconomisch achtergestelde vaders, gaven diegenen die in toenemende mate betrokken waren bij hun kinderen in hun eerste levensjaar, ook een betere algemene gezondheid, lager drugsgebruik, toegenomen religieuze participatie en een verminderde arbeidsparticipatie aan.10

Voetnoten

  1. Sandra L. Jofferth, “Residential Father Family Type and Child Well-Being: Investment Versus Selection,” Demography 43, No. 1 (February 2006): 53-77.
  2. Christina Falci, “Family Structure, Closeness to Residential and Nonresidential Parents, and Psychological Distress in Early and Middle Adolescence,” The Sociological Quarterly 47 (January 2006): 123-146.
  3. Marcia J. Carlson, “Family Structure, Father Involvement, and Adolescent Behavioral
    Outcomes,” Journal of Marriage and Family 68, No. 1 (February 2006): 137-154.
  4. Jacinta Bronte-Tinkew and Kristin A. Moore, “The Father-Child Relationship, Parenting Styles, and Adolescent Risk Behaviors in Intact Families,” Journal of Family Issues 27, No. 6 (June 2006): 850-881.
  5. Ibid.
  6. Eirini Flouri, “Early Father’s and Mother’s Involvement and Child’s Later Educational Outcomes,” British Journal of Educational Psychology 74 , No. 2 (June 2004): 141-153.
  7. Cynthia C. Harper and Sara S. McLanahan, “Father Absence and Youth Incarceration,” Journal of Research on Adolescence 14, No. 3 (September 2004): 369-397.
  8. Christina Falci, “Family Structure,” :123-146.
  9. Richard J. Petts, “Religious Participation, Religious Affiliation, and Engagement with Children among Fathers Experiencing the Birth of a New Child,” Journal of Family Issues, Vol. 28, No. 9 (September 2007), pp. 1139-1161.
  10. Chris Knoester and Richard Petts, “Commitments to Fathering and the Well-Being and Social Participation of New, Disadvantaged Fathers,” Journal of Marriage and Family 69, No. 4 (November 2007): 991-1004.

Brongegevens

Why Fathers Matter
Auteur(s):Heritage Foundation
Gepubliceerd in:http://www.familyfacts.org
Karakter onderzoek:Overzicht statistisch onderzoek
Online beschikbaar:http://www.familyfacts.org/briefs/25/why-fathers-matter
Keywords:Vaders, aanwezigheid, betrokkenheid, adolescenten, welzijn, psychologisch welbevinden, detentie, gedragsproblemen, criminaliteit, drugsgebruik, onderwijsprestaties, religie